13053

gedicht, vrij

I

zoals in het bos pasgeboren sprieten groeien
zoals het er zó groen is na de winter dat je vergat dat dat kon
zoals het lommer je koelte toewuift die ‘s morgens niet nodig is
zoals cirkels zonlicht dansen op je schoenen in de grond
zoveel als een boomstronk op een berg lijkt
zo gewichtig als ze paddestoelen draagt
zoals lente en herfst hier door elkaar lopen en eeuwig zijn
zo laten we los, dat we er van klampen
aan elkaar, aan rivieren van steen tot zand vermalen en bestaan of niet
aan gerommel uit de bodem, aan niet zien wat je worden wilt
aan takken na de winter eenzaam,
zó alweer vernietigd en ontstaan.