12870

gedicht, vrij

De rivier komt,
stroomt langs weiland en stad.
Ze golft, tolt
en fluistert,
geeft niet alles prijs.
Op de bodem van haar ogen
beroert een onzichtbare hand het zand.

Als ook ik mijn handen uitsteek,
het water raak,
streel ik een koude wang,
maak die warm, rood.
Als ik haar vasthoud
mengt de mist van haar adem
met mijn angst dat ze me niet herkent.

pretoogjes schitteren tussen de golven
als ik zwijgend
op haar oever lig.

Soms weet ik niet
wat te zeggen
tegen de golven in mijn mond.
Soms stroomt het bloed
door hoofd en hart
naar de delta van mijn handen.

Hoe meer het lente wordt
hoe meer ze tot leven komt.
Oude sneeuw smelt
onder haar warme voeten.
Hoe meer het lente wordt
hoe begeerlijker ze is,
hoe meer de hartslag deint
in de kom van mijn hals waar ze haar hoofd heeft gelegd.

Als ze danst
zwelt de stroom aan,
vloeit onhoudbaar naar de horizon.
Ze weerspiegelt,
wijfelende wolken en een rillende boom.
Ze fluistert, geeft niet alles prijs,
verlangt ernaar vrij te zijn.

De rivier komt,
stroomt weiland en stad voorbij.
Ze kijkt om, geeft niet alles prijs.
Niet in één omhelzing te vangen,
niet te verleiden met een liefdevolle dag.
Tijdloos buitelt ze
naar een verre zee

waar ik soms wel,
maar nooit echt
gaan kan.